Opzettelijk onderpresteren – Hoe ga je er mee om in de klas?

Geplaatst op: zondag 18 maart 2018
Lui, ongemotiveerd, verveeld en de kantjes er van aflopend… Het is het profiel van de begaafde leerling die de leerkracht tot wanhoop kan drijven. Begaafdheidsexpert Jim Delisle schreef er zijn 20e boek over: Opzettelijk Onderpresteren.
Jim_delisle_news_detail

Strategieën voor het terugdraaien van onderpresteren met respect voor de waardigheid van de leerling. ‘Het gaat niet om leren, maar om het voeden van het hart en de ziel.’

 

 

Signaleren

‘Tegen de tijd dat begaafde onderpresteerders bovendrijven, zijn ze tenminste 11 of 12 jaar of ouder. Ze hebben een hele schoolgeschiedenis achter zich. De meeste van deze kinderen doen het heel goed op gestandaardiseerde tests. Ze doen het alleen niet goed op schoolperformance. Soms zijn deze leerlingen daar zelfs soort van trots op. Ze weten dat het frustrerend is voor docenten om een kind in de klas te hebben dat aan de top van iedere test scoort en op school niet presteert.

Vaak hoeven de leraren deze leerlingen niet te identificeren omdat behoorlijk duidelijk is dat deze kinderen niet het werk doen dat ze zouden kunnen doen. Het is meer: ‘Wat doe ik nu deze jongen of dat meisje in mijn klas zit?’’

 

Motivatie leerling

‘Het lijkt er soms op of begaafde leerlingen weten welke leraar het waard is om voor te werken. Ze zijn erg personality driven. Ze zullen werkelijk alles doen voor een leraar waarvan zij geloven dat deze hun wil helpen om te groeien. Maar als ze het gevoel hebben dat een leraar alleen rondloopt voor het loonbriefje en dan naar huis gaat, zullen ze in veel gevallen niet bereid zijn om voor hem of haar te werken.’

 

‘Elk onderpresterende leerling waar ik ooit mee gewerkt heb, werkte op enig moment in zijn schoolcarrière hard bij een specifieke leraar. Als je een leerling hebt die niet echt succesvol is op school bij een bepaalde docent of meerdere docenten, dan kun je een leerling vragen of er iemand was die ze echt geholpen heeft, waar ze door geraakt werden. Vervolgens kun je naar die docent toe gaan en kijken wat die persoon deed dat goed was. Bijna elke leerling die ik ken heeft tenminste één leraar gehad die in hem of haar geloofde en zorgde dat het goed ging. Het kan zijn dat je 4 of 5 jaar terug moet gaan in de tijd, maar uiteindelijk is het die bewuste leraar waar je naartoe moet. Zij hebben al succes gehad. En liever dan kijken naar wat niet werkt, kijk je terug naar een tijd en situatie die wel werkte. Vervolgens probeer je om meer te doen van de dingen die die docent deed.’

 

Motivatie leraar

‘Uiteindelijk hebben leraren en de kinderen dezelfde doelen. Maar als je leerlingen in de klas hebt die een voorgeschiedenis hebben van hoofdzakelijk slechte prestaties, dan zijn veel leraren niet zo bereid die leerling te helpen, niet zoals ze dat zouden zijn bij een succesvolle leerling. Dat is een van de uitdagingen: de leraar moet daadwerkelijk overtuigd raken dat het werken met de onderpresterende leerling voor beiden goed is.’

 

Benaderbaar

‘William Purkey schreef een boek in de jaren ’70 over wat hij ‘uitnodigend onderwijs’ noemde. Hij maakte onderscheid tussen 4 categorieën docenten. Hij zei, en ik promoot dit in mijn boek ‘Opzettelijk Onderpresteren, dat sommige leraren bewust uitnodigend zijn: Het zijn geboren leraren. Het zijn de docenten die je je het best herinnerd omdat zij iets in jou zagen dat beter was dan dat je dacht dat je in je had.

 

Dan zijn er, volgens Purkey, de onbewust uitnodigende leraren. Deze docenten doen dingen die helpen, maar ze hebben geen plan, ze doen gewoon. Ze implementeren strategieën die leerlingen helpen, maar ze doen het niet op systematische wijze. Soms werkt het en soms werkt het niet. Dus ze zijn uitnodigend, maar zijn het onbewust: Ze weten niet echt wat de voordelen zijn van wat ze doen.

 

Aan de keerzijde van deze twee vind je de onbewust onuitnodigende leraar. Het voorbeeld dat ik altijd geef, is de docent die zegt: ‘Ik heb zojuist een toets afgenomen en er is maar 1 leerling die het goed gedaan heeft. Kan iemand raden wie dat is?’ De docent denkt dat het positief werkt en het heeft de omgekeerde impact. En dan zijn er de, wat Purkey noemt, de bewust onuitnodigende docent. Deze mensen zijn gewoon plain evil [‘puur slecht’, red.]. Zij doen hun best om iets in het kind te vinden dat niet goed is en laten dat nooit meer los.’

 

Respect en waardigheid

Dat ik niet te veel gefocust ben op strategieën, is omdat mijns inziens verschillende dingen verschillend werken bij verschillende leerlingen. Er zijn zo veel kinderen die slim zijn, en tegelijkertijd onderpresteren. Vaak voelen ze zich niet goed over zichzelf. Ze horen van zo veel mensen dat ze een loser zijn of dat ze niet opleven naar hun potentieel. Zelfs al heb je een harde buitenkant en kun je doen alsof het je niet boeit: het doet nog steeds pijn.

 

Ik geef nog steeds les in de 9th grade, aan 14- en 15-jarigen, De Scholars’ Academy in Conway (South Carolina) is een school voor hele slimme kinderen. Ze beginnen direct met universiteitscolleges op 13-/14-jarige leeftijd. Dus het is een kleine school met een erg hoog niveau. Eén van mijn leerlingen doet het niet goed momenteel. Zijn vader is net uit de gevangenis en hij woont bij zijn grootmoeder. Er gebeurt zoveel in zijn leven dat negatief is. En toen hij net op onze school kwam, had de counselor van zijn vorige school gezegd: ‘Het is zonde van je tijd om naar die school te gaan. Je redt het toch niet’.

 

Toen hij me dit vertelde moest ik bijna huilen. Hoe kan een volwassene die iets zou moeten weten van kinderen zoiets zeggen? Helemaal terwijl hij wist wat de achtergrond van deze leerling is. Deze leerling heeft gewoon ondersteuning nodig. Het gaat niet om onderwijzen, maar om het voeden van de ziel en het hart.

 

Goede leraren beginnen met een basis van respect. Dat is het begin. De bewust uitnodigende leraar kijkt naar het kind dat niet presteert en zegt: Ik geloof nog steeds in je. Strategieën komen later.’

Strategieën

‘Een van de strategieën die ik aanbeveel, is het compacten van curriculum. Hoe doe je dat? Aan het begin van een nieuw onderwerp krijgen alle leerlingen in de klas, niet alleen die ene begaafde, een kans om te laten zien of zij al begrijpen wat het onderwerp inhoudt. Bijvoorbeeld: je geeft een opdracht met 20 wiskundeopgaven op een pagina. Als je de leerling de laatste 5 opgaven laat doen de moeilijkste opgaven. Als de leerling de laatste 5 opgaven – dit zijn de moeilijjkste – correct oplost, hoeven ze de rest niet te doen. Dus als je intentie als docent is om uit te vinden wat leerlingen weten en of ze dat kunnen aantonen door de moeilijkste opgaven op te lossen, dan weet je dat ze de eenvoudige opgaven kunnen maken. Deze strategie heet compacten omdat je een groot curriculum in de stukken breekt die je nodig hebt. Dat is één strategie.

 

Een andere is de leerlingen de optie te geven om buitenschoolse activiteiten onderdeel te laten zijn van het werk dat ze binnen de school doen. Zo was er hier in de VS een jonge man. Zijn zus verkocht geurkaarsen voor een goed doel. De jongen in kwestie rook aan de kaarsen (ze roken naar rozen en aardbeien e.d.) en hij zei: Geen man zal die kaarsen kopen. Ze ruiken naar meisjesdingen.

 

Hij richtte vervolgens de onderneming Mancans op. Zijn kaarsen roken naar honkbalhandschoenen, gras en pizza. Hij verkocht meer dan 300.000 kaarsen. De kaarsen verpakte hij in een soepblik en voor elke verkochte kaars ging er een donatie naar een daklozencentrum.

 

Al zijn werk deed hij buiten schooltijd. Hoe mooi zou het zijn geweest om dit project onderdeel te laten zijn van zijn curriculum. Als je bedenkt hoeveel wiskundevaardigheden en organisatievermogen er bijvoorbeeld nodig waren om de onderneming te laten slagen. Zo zijn veel begaafde onderpresteerders heel erg toegewijd aan iets dat niets te maken heeft met wat ze doen op school.

 

Ik heb nog een voorbeeld. Een oudere leerling ging met alle vakken de mist in op school, hij haalde praktisch niks. Tegelijkertijd zat hij bij de padvinders. Hij was een adelaarsscout. Dat is het hoogste niveau dat je kan bereiken. Slechts 5% van de padvinders in Amerika worden adelaarsscout. De vraag was: Hoe kon deze jonge man zo succesvol zijn bij de padvinders en op school bijna overal in falen? Het vergt openheid en bereidheid van de kant van de docenten om hun curriculum los te laten. In mijn boek vind je veel voorbeelden daarvan. Er is het geloof van tenminste één persoon nodig om het te laten gebeuren.’

 

 

 

 

auteur: Priscilla Keeman
« Terug naar het nieuwsoverzicht

Reageer