De leraren van het Stedelijk Gymnasium te Haarlem klagen de laatste jaren steeds meer over de slechte werkhouding van hun leerlingen: ze maken geen of te weinig huiswerk, in de les doen ze te weinig actief mee, ze hebben hun boeken en schriften niet bij zich, het handschrift is onleesbaar, de spelling gaat achteruit. Klagen leraren altijd of is de werkhouding inderdaad minder dan vroeger?
Om dit te onderzoeken hebben in het schooljaar 2008/2009 zes meisjes in het kader van hun profielwerkstuk allerlei aspecten van de werkhouding van hun medeleerlingen vastgelegd. Zij hebben van elke klassenlaag 3 van de 5 klassen geënquêteerd, waarbij een ijverige, een luie en een gemiddelde klas waren betrokken.* (* Met dank aan Loulou Bouwman, Cecilia Bussink, Hilde Groot, Nikki IJzerman, Sofie Jacobse, Elze Landkroon. Een deel van de resultaten is eerder in NRC van 13 juni 2009 verschenen.)
In de bovenbouw van het Stedelijk Gymnasium zijn de ideeën van de Tweede Fase in beperkte mate ingevoerd. Aan het begin van elke periode van zes weken werden studiewijzers uitgedeeld, het aantal contacturen per vak bleef zo veel mogelijk hetzelfde: er kwamen geen ‘zelfstandig werken’-uren. Wel kwamen de proefwerken tussendoor te vervallen: de bovenbouwleerlingen maakten alleen nog toetsen in één van de zes toetsweken en de planning van de voorbereiding werd grotendeels aan hen overgelaten. Dit om hen, conform de bedoeling van de Tweede Fase, voor te bereiden op de stap naar het hoger onderwijs.
Uit de resultaten blijkt dat de meisjes van nu meer tijd aan hun huiswerk besteden dan de jongens (zie grafieken 2 en 4), dat zowel jongens als meisjes in de onderbouw meer tijd aan het huiswerk besteden dan in de bovenbouw (zie grafiek 2 en 4) en dat in de bovenbouw in de vijfde klas 70% van de jongens minder dan 30 minuten aan het huiswerk besteedt (zie grafiek 2). Verder valt op dat de doorsnee-leerling in de eerste weken van een periode van zes weken nauwelijks werkt en dat zij pas in de vijfde of zesde week aan de slag gaan. Vijftig procent van de jongens en meisjes zowel in onder- als bovenbouw geeft aan dat ze meer huiswerk zouden maken als het gecontroleerd zou worden.
Hier dient vermeld dat onze school in het inspectierapport de kwalificatie ‘goed’ krijgt en niet ongunstig presteert in vergelijking met andere zelfstandige gymnasia.
Huiswerkgedrag vroeger en nu
Om de situatie van nu met die van vroeger te vergelijken heb ik zelf een enquête afgenomen onder honderd mensen uit het hele land die tussen ’58 en ’78 eindexamen gymnasium hebben gedaan. De spreiding van de antwoorden is gering zodat we er vanuit mogen gaan dat de enquête een redelijk betrouwbaar beeld geeft. Opvallend is dat destijds ook de meisjes meer tijd aan hun huiswerk besteedden dan de jongens (zie grafiek 1 en 3) en dat naarmate jongens en meisjes in een hogere klas kwamen, zij steeds meer tijd aan het huiswerk besteedden: 40% van de jongens besteedde er meer dan 2 uur per dag aan. Zowel jongens als meisjes meldden dat ze huiswerk maakten omdat het gewoon was en omdat ze wisten dat er geen ontkomen aan was.
Figuur 1: Gemiddelde huiswerkduur per dag van 53 jongens, die eind-examen deden tussen 1958 en 1978, via enquête afgenomen in juni 2009
Figuur 2: Gemiddelde huiswerkduur per dag van jongens van het Stedelijk Gymnasium te Haarlem, via enquête afgenomen in december 2008
Figuur 3: Gemiddelde huiswerkduur per dag van 47 meisjes, die eindexamen deden tussen 1958 en 1978, via enquête afgenomen in juni 2009
Figuur 4: Gemiddelde huiswerkduur per dag van meisjes van het Stedelijk Gymnasium te Haarlem, via enquête afgenomen in december 2008
Nadelen van de huidige houding
Mijn leerlingen kijken ongelovig als ik vertel dat ik in klas 5 en 6 van het gymnasium dagelijks meer dan twee uur aan het huiswerk besteedde, één keer per week sportte en nooit uitging: ‘Wat een saai leven had u!!’
Dat leerlingen nu minder huiswerk maken dan vroeger heeft verschillende oorzaken. Zij hebben meer afleiding door televisie, msn, games, eindeloos bellen, uitgaan tot laat in de nacht – vaak meer dan één keer per weekend – en dat ze een of twee keer per week een baantje hebben om het een en ander mee te kunnen betalen. Ze hebben thuis minder toezicht van de ouders, die vaak beiden werken.
Het ontbreken van een goede werkhouding werkt in de hand dat leerlingen minder diep op de stof ingaan en dat ze meer dan voorheen toetsen maken alleen steunend op het korte termijngeheugen. Zij raken niet gewend om te studeren, om aan te pakken en door te zetten, terwijl dit de activiteiten zijn, die voldoening geven. Deze dingen worden wel van de leerlingen verwacht in de vervolgopleiding en in de huidige maatschappij. Deze is in vergelijking met de tijd waarin hun ouders en het merendeel van hun docenten opgroeiden, steeds harder geworden: de overheid trekt zich meer terug en wijst de burgers meer op hun eigen verantwoordelijkheid.
Verder valt op dat er de laatste jaren in Kennemerland steeds meer huiswerkinstituten verschijnen: de leerlingen zijn verplicht om daar ongestoord hun huiswerk te maken en ze kunnen in sommige gevallen ook uitleg krijgen en overhoord worden. Meer jongens dan meisjes maken daar gebruik van. Uit onze enquêtes blijkt dat jongens er heen gaan omdat ze moeten van hun ouders, meisjes omdat ze zelf het steuntje in de rug willen hebben.
In onze zesde klas krijgt 70% van de meisjes en 40% van de jongens buiten school extra begeleiding in de vorm van bijlessen en enkele dagen examentraining in een universiteitsstad. Deze externe hulp wordt zeer gewaardeerd, maar zou minder nodig zijn als de leerlingen gewend zouden zijn om regelmatig te werken. Ze gaan er nu vanuit dat er een vangnet is in de vorm van extra, – dure – steun. School is in hun ogen te vaak een plek om te ‘socialisen’.
Verschil tussen jongens en meisjes
Sinds 2003 telt onze school 3 à 4 procent meer meisjes dan jongens. In de afgelopen 10 jaar blijft bij ons ongeveer 60% van alle zittenblijvers in de onderbouw zitten en 60% van alle zittenblijvers op onze school is een jongen. Dit is niet verbazend gezien het feit dat de jongens eerder afgeleid zijn in de klas en minder tijd aan hun huiswerk besteden (zie grafiek 2 en 4): zij nemen meer risico’s.
Begeleiding onderpresteerders
Vooral de jongens in de onderbouw houden we nu goed in de gaten. Indien we het idee hebben dat zij onderpresteren, worden zij uitgenodigd voor een zogenaamde TOP-cursus. Na een voorlichtingsavond voor de ouders in januari komen de leerlingen (90% is van het mannelijk geslacht) 8 keer bij elkaar aan het eind van een schooldag. Zij worden geconfronteerd met hun gewoontes en maken voornemens om bijvoorbeeld hun huiswerk aan te pakken of hun kamer op te ruimen of met een leraar te praten omdat ze het niet eens zijn met de manier waarop hun proefwerk is nagekeken. In de volgende bijeenkomst brengen ze verslag uit en wordt gekeken waardoor het nu wel of niet lukte. Uit enquêtes blijkt dat ouders tevreden zijn met de voortgang en dat de leerlingen de sfeer als prettig ervaren: ze voelen zich onder gelijken, lopen op dezelfde manier tegen dingen aan en ze realiseren zich beter dat ze hun werk anders moeten aanpakken en doen dat deels ook.
Algemene aanpak om werkhouding te verbeteren
De school bereidt een studiedag voor om de huidige gang van zaken te verbeteren. Als school hebben wij weinig invloed op de afleiding buiten school. Wel kunnen we onze regels aanscherpen en consequenties verbinden aan het niet opvolgen daarvan. We hebben eerder al schoolbreed gewerkt aan activerende didactiek en we vermelden werkhouding op het rapport. Vooruitlopend op de studiedag ben ik in mijn eigen biologielessen begonnen de teugels aan te trekken. Ik fungeer in de onderbouw als wat Eveline Crone ‘de externe prefrontale cortex’ noemt, net zoals ook mijn docenten dat in de zestiger jaren deden. Ik geef aan het begin van de les één leerling een beurt waarvan het cijfer meetelt. Ik controleer steekproefsgewijs regelmatig het huiswerk en geef ongeveer twee keer per jaar een so-cijfer voor de kwaliteit en de compleetheid van het gemaakte werk in het werkschrift. Ook in de bovenbouw controleer ik het huiswerk vaker dan voorheen en dwing bij belangrijke onderdelen maakwerk af door leerlingen een herkansing te ontnemen indien werk niet op tijd gemaakt is. Ik heb de indruk dat dit door de leerlingen op prijs gesteld wordt als een welkome stok achter de deur.
Terug naar de ouderwetse methode?
De huiswerkcontrole neemt ongeveer 5 minuten per les. Soms doe ik dit terwijl zij het huiswerk maken voor de volgende les. Tijdens de mondelinge beurt, die ongeveer 5 minuten duurt, blijkt iedereen zijn best te doen om het antwoord te formuleren: geen verloren tijd. Waarom heb ik dit dan jaren geleden afgeschaft? Nog voor de invoering van de basisvorming besloot de school om de lesduur terug te brengen van 50 naar 45 minuten om tijd en geld te winnen voor extra vakken als filosofie en Italiaans. Toen de basisvorming werd ingevoerd, zijn we van die extra’s afgestapt om aan de eisen van de basisvorming en die van onszelf (een gymnasium) te kunnen voldoen. Uit angst niet voldoende nieuwe stof te kunnen behandelen en vanuit het idee de leerlingen meer zelfstandigheid te geven, liet ik de controle steeds meer achterwege. Tot nu toe loop ik tot mijn verbazing voor op wat ik vorig jaar rond deze tijd had behandeld.
Deze ervaring zal ik op de studiedag inbrengen. Hier zullen schoolbreed besluiten genomen worden, afgestemd op wat in dit tijdsgewricht het beste bij onze leerlingen en docenten past.
Lydia Sevenster-van der Lelie is al sinds 1975 werkzaam in het onderwijs. Zij heeft de ECHA-opleiding in 2001 afgerond en geeft sinds 5 jaar TOP-cursussen op haar school, het Stedelijk Gymnasium te Haarlem.




